Geestelijke gezondheid betekent voor mij niet de afwezigheid van angst of depressie, innerlijke conflicten of onrust. Deze geestestoestanden zijn tekenen van ‘levendigheid’ waarmee ieder mens vertrouwd is.
Psychische ziekte komt in beeld wanneer niets er meer toe lijkt te doen, wanneer de liefde van de mensen om u heen iedere persoonlijke betekenis heeft verloren. Wanneer iemand vastzit in een geïsoleerde geestestoestand, gaan alle persoonlijke vermogens tot intimiteit, richting en zingeving verloren.
Als psychotherapeut, opgeleid in de psychoanalyse, beschouw ik het als een voorrecht om samen met mijn patiënten te onderzoeken en te begrijpen wat hen ervan weerhoudt zich waardevol te voelen en in staat een betekenisvol leven op te bouwen. Niemand heeft dit ene leven ooit eerder geleefd; daarom bestaat er geen autoriteit waarop we eenvoudig kunnen terugvallen.
Hoeveel opleiding, klinische ervaring of theoretische kennis ik ook heb verworven, in de beslotenheid van de spreekkamer word ik dagelijks geconfronteerd met deze vragen bij mijn patiënten — en zij confronteren mij ook met mijn eigen vragen.
Soms kan ik iets wezenlijks begrijpen en verwoorden, waardoor iemand zich gezien voelt en zichzelf beter gaat begrijpen, en een helend proces op gang komt. Maar meestal moet ik geduld hebben met de ongemakkelijke toestand van het niet-weten.
Ik wacht op een betekenisvolle onthulling uit de persoon zelf: het moment waarop de patiënt beseft dat hij of zij het zelf weet; voelt dat er werkelijk iemand van binnen aanwezig is die de relatie met de omringende wereld kan scheppen, herscheppen of herstellen en de betekenis kan ervaren van zijn of haar eigen geestelijke, lichamelijke en emotionele handelen.
Dat brengt niet noodzakelijk comfort. Vaak roept het juist veel angst op. Het verschil met daarvoor is dat die angst niet langer ongedifferentieerd en verlammend is. Daar, naar mijn overtuiging, begint geestelijke gezondheid.
Aan dit werk heb ik mij toegewijd.